
Reeds in 1457 werd er door ene Gosen Momme (hij moest eens weten, dat hij nu op het internet staat) in Doesburg mosterd gemaakt, zo blijkt uit het toenmalige register voor boetstraffelijke zaken.
De oudste aantekening over de huidige mosterdfabriek stamt uit 1806. In het oudste Doesburgse patentenregister staat dan Jacobus Egelbertus Jacobs als "mosterdfabrijkeur" vermeld. Hij was winkelier en kuiper in de Kerkstraat en maakte met een handmolen mosterd.
In 1835 nam zijn buurman, de winkelier Hendrik Lebbink, de mosterdmakerij over.
Na diens overlijden in 1857 hebben zijn dochters Maria Geurtdina en Agatha Jacoba de zaak voortgezet tot 1877, in welk jaar zij de mosterdmakerij verkochten aan hun buurman op no. 8, de winkelier Marinus Jansen, die haar op zijn beurt in 1900 weer over deed aan de Velpse stalhoudersknecht Jan Burgers.
Deze Burgers liet twee jaar later achter het pand Kerkstraat no. 8 een kleine ruimte bouwen, waarin een op het stedelijk gasnet aangesloten gasmotor werd geplaatst, die de aandrijving van de mosterdmolen moest verzorgen. Op een heel oud etiketje kun je zien, dat de zaak toen de"Doesburgsche Stoommosterdfabriek" werd genoemd.
In die tijd werd de Doesburgsche mosterd niet alleen in Doesburg maar ook in de wijde omgeving tot diep in de Achterhoek met kruiwagens en paard en wagen verkocht in Keulse potjes met de blauwe letters JBD (Jan Burgers Doesburg), afgedicht met een echte varkensblaas, een voor vele ouderen nog bekende mosterdverpakking. Ook nu nog wordt de Doesbursche mosterd ondermeer in originele Keulse potjes met de initialen DM (Doesburg- sche mosterd) verkocht.
In de loop der jaren werd de gasmotor vervangen door een electrische en in 1932 droeg Jan Burgers de zaak over aan zijn zoon Johan Arnoldus, die toen onder de handelsnaam "Fa. J. Burgers en Zoon" niet alleen mosterd maar ook azijn maakte - een in die tijd niet ongebruikelijke combinatie, omdat azijn een essentieel ingrediënt van mosterd is - en tevens een slijterij dreef., wat ook niet zo verwonderlijk is, immers, de basis van azijn is alcohol.
In 1944 kocht Willem Reinder van der Laan, kruidenier te ´s-Heerenberg, de zaak van van Johan Burgers. De feitelijke overdracht van de zaak kwam pas op 1 januari 1948 tot stand.
In 1946 overleed Johan Burgers en tot 1948 werd de mosterdfabriek door Steven ten Brinke gerund, zowel aan de Kerkstraat no. 8 als aan de Boekholtstraat no. 3.

Toen van der Laan daadwerkelijk aan de slag ging, verplaatste hij de mosterd- en azijnfabriek naar de Boekholtstraat no. 8, vanuit welk pand hij tevens een groothandel in vruchtenwijnen en limonadesiropen runde.
In 1967 - een belangrijk jaartal in de geschiedenis van de Doesburgsche Mosterdfabriek - nam Gerrit Kuperus, wiens vader in Leiden aan de Hogewoerd een destijds zeer gerenommeerde wijnhandel dreef, waarin ook vruchtenwijnen en limonadesiropen werden geproduceerd, de zaak over van van der Laan.
Samen met zijn vrouw gooide hij het roer om en in 1968 op Tweede Paasdag konden de bezoekers voor het eerst zien hoe de "Van Ouds Alom Bekende Doesburgsche Mosterd" werd gemaakt. Er stond een lange rij wachtenden in de straat voor het kleine pandje.
In de daarop volgende jaren staakten tal van mosterdfabrikanten hun aktiviteiten, waardoor de inventaris met een aantal mosterdmolens kon worden uitgebreid.

Wegens ruimtegebrek verhuisde de mosterdfabriek in 1974 naar de Boekholtstraat 22-26, waar een onbewoonbaar verklaarde woning en een opslagplaats werden verbouwd tot het werkende museum.
Om een bezoek voor de individuele toeristen en de vele gezelschappen nog aantrekkelijker te maken werden aan de mosterdfabriek annex museum eerst het restaurant "De Mosterdhoeve" en later ook "De Gildehof", een gezellig pleintje met ateliers en ambachtelijke winkeltjes toegevoegd, waardoor er een bijzonder complex in het midden van de hanzestad Doesburg ontstond, dat vandaag de dag door de dochter en schoonzoon van het echtpaar Kuperus wordt gerund.